Nederlandse schilders door de eeuwen

  • 40 vragen
  • ± 10 minuten
  • Gemiddeld
Nog geen stemmen
Beoordeel deze quiz:

Wie maakte de Nachtwacht? In welk dorp stierf Van Gogh? En welke kunstbeweging richtte Mondriaan in 1917 op? Multiple choice met vier opties, drie niveaus oplopend in moeilijkheid. Op gemakkelijk de basisfeiten over Rembrandt, Vermeer, Van Gogh, Mondriaan en Escher, op moeilijk inclusief Aelbert Cuyp, Théophile Thoré-Bürger, het Rietveld Schröderhuis en de aanvallen op De Nachtwacht.

Klaar voor de quiz?

Vul je naam in en kies een niveau. Je tijd telt mee voor het leaderboard van deze maand.

Hoe werkt het?

  • Drie niveaus

    Op gemakkelijk 15 basisvragen die de meeste mensen kennen. Op gemiddeld 25 vragen met meer detail. Op moeilijk alle 40, inclusief de minder bekende feiten waar pubquiz-fans pas op uitkomen.

  • Vier opties per vraag

    Je ziet een vraag en kiest uit vier antwoorden (A, B, C of D). De drie afleiders zijn altijd plausibel: bestaande personen, datums of begrippen uit dezelfde periode, geen flauwe gokwerk-opties.

  • Twee hulplijnen

    Je krijgt per spel één tip (korte aanwijzing over het juiste antwoord) en één 50/50 (twee foute antwoorden vallen weg). Beide mag je maar één keer inzetten, dus bewaar ze voor een lastige vraag.

  • Snelheid telt mee

    Je tijd wordt gemeten. Bij een gelijke score staat de snelste hoger in het maand-leaderboard.

Welk niveau?

Leaderboard deze maand

Leaderboard laden…

Nederlandse schilderkunst door de eeuwen

Geen ander klein land heeft de wereldwijde schilderkunst zo sterk getekend als de Lage Landen. Van de Vlaamse Primitieven in de 15e eeuw, via de Hollandse Gouden Eeuw in de 17e, naar Van Gogh en Mondriaan in de 19e en 20e eeuw: Nederlandse meesters hebben in elke eeuw bewezen dat Nederland tot de absolute wereldtop behoort. Het is een opvallend lange traditie voor een land dat in oppervlakte slechts 4% van Frankrijk is. De oorzaken zijn talrijk: een rijke handelseconomie die kunst betaalbaar maakte voor de middenklasse, een traditie van vakmanschap (gilden), tolerante politieke en religieuze cultuur die experimenteren mogelijk maakte, en een steeds nauwer netwerk van musea, ateliers en schilderscholen. Vandaag zijn de twee meest bezochte musea van Nederland (Rijksmuseum en Van Gogh Museum) ook gewijd aan Nederlandse schilderkunst, beide met miljoenen bezoekers per jaar. Het Mauritshuis, het Stedelijk en het Frans Hals Museum vullen de lijst aan. Internationaal hangt Nederlandse schilderkunst in vrijwel elk groot museum: van het Louvre tot het Metropolitan, van het Hermitage tot de Tate.

15e en 16e eeuw: Vlaamse Primitieven en Bosch

De geschiedenis begint in het zuiden, in Vlaanderen. Jan van Eyck (ca. 1390-1441) wordt vaak de “uitvinder van de olieverf” genoemd, een titel die niet helemaal correct is (olieverf bestond eerder) maar wel zijn dramatisch verfijnde gebruik van de techniek erkent. Zijn “Aanbidding van het Lam Gods” (1432, Sint-Baafskathedraal in Gent) is een meesterwerk van compositie, kleur en realisme. Zijn “Arnolfini-portret” (1434, National Gallery Londen) toont voor het eerst in de geschiedenis een echtpaar in hun eigen woning met fotografisch realisme. Rogier van der Weyden (ca. 1399-1464) bouwde voort op deze traditie met emotioneel sterk geladen religieuze taferelen. Aan het einde van de 15e eeuw verscheen Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516) uit ‘s-Hertogenbosch met zijn fantastische, vaak nachtmerrie-achtige composities vol monsters, demonen en symboliek. Zijn “Tuin der Lusten” (ca. 1500, vandaag in het Prado) is een drie-luik vol surrealistische beelden, eeuwen voor de term surrealisme bestond. In het zuidelijke Nederland van de 16e eeuw werkte Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569), wiens “Boerenbruiloft” en “Spreekwoorden” het Vlaamse plattelandsleven onsterfelijk maakten.

17e eeuw: de Gouden Eeuw

De 17e eeuw is de eeuw van de Hollandse explosie. Tussen 1600 en 1700 werden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden naar schatting 5 tot 10 miljoen schilderijen geproduceerd, gemiddeld vier per huishouden. Geen ander land had ooit zo’n volume aan kunstproductie. De groten: Rembrandt van Rijn (1606-1669) uit Leiden, later Amsterdam, was de grootmeester. Zijn “Nachtwacht” (1642, Rijksmuseum), “Anatomische Les van Dr. Tulp” (1632, Mauritshuis), “De Staalmeesters” (1662) en circa 80 zelfportretten vormen samen het belangrijkste oeuvre van de Hollandse schilderkunst. Johannes Vermeer (1632-1675) uit Delft maakte slechts 35 schilderijen, elk een meesterwerk: “Meisje met de Parel”, “Het Melkmeisje”, “Gezicht op Delft”. Vermeer stierf in armoede en vergetelheid; pas in 1866 werd hij door de Franse criticus Thoré-Bürger systematisch “herontdekt” en sindsdien tot de absolute top gerekend. Frans Hals (1582-1666) in Haarlem schilderde met razendsnelle penseelstreken portretten en schutterijen waarin de figuren bijna gaan ademen: “De Lachende Cavalier” (1624) is wereldberoemd. Daarnaast bloeiden talloze specialisten: Jan Steen (humoristisch huiselijk), Pieter de Hooch (binnenkamers met licht), Jacob van Ruisdael (landschappen), Aelbert Cuyp (koeien in zonlicht), Willem van de Velde (zeegevechten), Pieter Claesz en Willem Heda (stillevens). En de uitzondering: Judith Leyster, een van de zeer weinige vrouwen in de gilden, die in 1633 als enige vrouw in het Haarlemse Sint-Lucasgilde werd opgenomen.

18e eeuw: een rustigere periode

De 18e eeuw was rustiger. Nederland was zijn culturele wereldleiderschap kwijt; Parijs was nu het centrum van de Europese kunst. Toch werden er in Nederland mooie schilderijen gemaakt. Cornelis Troost (1696-1750) wordt de “Hollandse Hogarth” genoemd, een Amsterdammer die met humor het 18e-eeuwse stadsleven schilderde. Jacob de Wit (1695-1754) maakte plafond- en wandschilderingen in talloze regentenhuizen, vandaag nog te zien in onder andere het Trippenhuis in Amsterdam. Wybrand Hendriks (1744-1831) maakte portretten en interieurs. Maar internationaal speelde Nederland niet meer de rol van de Gouden Eeuw. De grootste namen uit deze tijd zijn vandaag relatief obscuur, alleen bekend bij specialisten. Pas tegen het einde van de 18e eeuw kwam er weer beweging, deels onder invloed van de Patriotten- en Franse tijd. Het Rijksmuseum werd in 1808 als Koninklijk Museum opgericht door Lodewijk Napoleon, een eerste teken van een nieuwe nationale kunstambitie.

19e eeuw: de Haagse School en Van Gogh

In de tweede helft van de 19e eeuw kwam de Nederlandse schilderkunst tot een tweede bloeitijd. De Haagse School (ca. 1860-1900) was een groep schilders die in en rond Den Haag werkte en het Nederlandse landschap, het zeezicht en het boerenleven schilderde in zachte, grijze tonen, geïnspireerd door de Franse Barbizon-school. De belangrijkste namen: Hendrik Willem Mesdag (1831-1915), Jozef Israëls (1824-1911), Anton Mauve (1838-1888), Jacob Maris (1837-1899) en zijn broers Matthijs en Willem. Mesdag’s “Panorama van Scheveningen” (1881) is nog steeds te zien in het Panorama Mesdag in Den Haag, een 14 meter hoog en 120 meter lang rondschilderij. Tegelijk werkte in Brabant en Frankrijk de meest internationaal vermaarde Nederlandse schilder ooit: Vincent van Gogh (1853-1890). Geboren in Zundert, predikantszoon, leerde pas op zijn 27e schilderen. Tussen 1880 en 1890 produceerde hij ruim 2.100 werken, waaronder 860 olieverfschilderijen. In Nederland (1880-1885) maakte hij donkere boerentaferelen als “De Aardappeleters”. In Parijs (1886-1888) ontdekte hij de impressionisten. In Arles (1888-1889) ontstonden zijn beroemdste werken: “Zonnebloemen”, “Slaapkamer in Arles”, “Café Terrace at Night”. Na een psychische crisis (de oor-affaire met Gauguin in december 1888) verbleef hij in een kliniek in Saint-Rémy, waar hij “De Sterrennacht” schilderde (1889). Op 27 juli 1890 schoot hij zichzelf neer in een veld bij Auvers-sur-Oise; hij stierf twee dagen later. Tijdens zijn leven verkocht hij één schilderij; vandaag zijn zijn werken miljoenen euro’s waard.

20e eeuw: Mondriaan, De Stijl en Cobra

De 20e eeuw maakte van Nederland opnieuw een centrum van vernieuwing. Piet Mondriaan (1872-1944) ontwikkelde tussen 1910 en 1920 een radicaal abstracte stijl: het Neoplasticisme, met alleen verticalen, horizontalen en de drie primaire kleuren (rood, geel, blauw) op witte achtergrond. Zijn “Composities” werden invloedrijk in zowel de schilderkunst als de architectuur, design en mode (Yves Saint Laurent’s Mondriaan-jurk uit 1965 is een wereldwijd icoon). In 1917 richtte hij samen met Theo van Doesburg de beweging De Stijl op, met tijdschrift, manifest en een breed netwerk van schilders, architecten en designers. Gerrit Rietveld’s Rood-Blauwe Stoel (1918) en Schröderhuis in Utrecht (1924, UNESCO-werelderfgoed) zijn de bekendste materialisaties van het De Stijl-gedachtegoed. In de jaren ’40 ontstond CoBrA (Cobra), een experimentele beweging uit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam, opgericht in 1948. Karel Appel (1921-2006), Constant en Corneille schilderden expressionistische, kinderlijke, vaak felgekleurde werken. Maurits Cornelis Escher (1898-1972) maakte daarnaast zijn unieke grafische werken met onmogelijke trappen, watervallen die zichzelf voeden en tessellaties van metamorfoserende dieren. Zijn werk is technisch wiskundig precies en wordt vandaag intensief bestudeerd door wiskundigen en computerwetenschappers. In het Escher in Het Paleis in Den Haag is zijn werk te zien.

Vandaag: Nederlandse kunst nu

De Nederlandse kunsttraditie loopt door. Anton Pieck (1895-1987) is internationaal wellicht het minst bekend van de groten, maar in Nederland universeel geliefd om zijn romantische historische taferelen die de Efteling-sfeer bepaalden. Marlene Dumas (1953, geboren in Zuid-Afrika maar sinds 1976 in Amsterdam) is de duurst-verkopende levende Nederlandse schilder, met haar emotionele portretten en confronterende thema’s. Wim Delvoye, Rineke Dijkstra, Erwin Olaf en anderen breidden de traditie uit naar fotografie, video en installaties. Het Stedelijk Museum in Amsterdam is sinds 1895 het belangrijkste museum voor moderne Nederlandse en internationale kunst. Het Boijmans-Van Beuningen in Rotterdam en het Kröller-Müller Museum in Otterlo (met de tweede grootste Van Gogh-collectie ter wereld, na het Amsterdamse) zijn andere belangrijke verzamelingen. De Nederlandse schilderskunst is sinds 600 jaar onafgebroken op wereldniveau: een prestatie zonder gelijke onder vergelijkbaar grote landen.

Feiten die mensen verwisselen

  • Rembrandt en Vermeer. Beide top-Hollandse schilders uit dezelfde eeuw, maar heel verschillend. Rembrandt (1606-1669) uit Leiden/Amsterdam: drama, religieus, 600+ werken, beroemd in zijn eigen tijd. Vermeer (1632-1675) uit Delft: stilte, huiselijke taferelen, slechts 35 werken, vrijwel onbekend tot 1866.
  • Frans Hals en Pieter de Hooch. Beide 17e-eeuwse meesters die als specialisten worden vergeten. Frans Hals werkte in Haarlem, schilderde vooral portretten en schutterijen met losse penseelvoering. Pieter de Hooch werkte in Delft (net als Vermeer), schilderde Hollandse binnenkamers met licht door open ramen.
  • Jheronimus Bosch en Pieter Bruegel. Beide laat-15e/16e-eeuwse Brabantse meesters, vaak verwisseld. Bosch (ca. 1450-1516) uit ‘s-Hertogenbosch: fantastische religieuze taferelen vol monsters en duivels. Bruegel (ca. 1525-1569) uit Brussel: realistische plattelandstaferelen, “Boerenbruiloft”, “Spreekwoorden”, “Jagers in de sneeuw”. 75 jaar verschil tussen hun werk.
  • Mondriaan en Van Doesburg. Beide grondleggers van De Stijl, vaak verward. Piet Mondriaan (1872-1944) was de schilder met de strenge rode/gele/blauwe composities. Theo van Doesburg (1883-1931) was schilder én theoreticus, redacteur van het tijdschrift “De Stijl”, later ruzieachtig uit elkaar met Mondriaan over of diagonale lijnen ook geoorloofd waren.
  • Van Gogh en de “verkoopcijfers tijdens zijn leven”. Het mythe-verhaal zegt dat Van Gogh tijdens zijn leven nooit een schilderij verkocht. Dat is bijna waar maar niet helemaal: hij verkocht in 1890, een paar maanden voor zijn dood, “De Rode Wijngaard” voor 400 Belgische francs aan Anna Boch in Brussel. Plus zijn broer Theo verkocht onderhand wel werken via zijn Parijse galerie, vooral aan kennissen.
  • Karel Appel en Anton Pieck. Beide 20e-eeuwse Nederlandse schilders, totaal andere stijl. Appel: CoBrA, abstract, fel, expressionistisch, internationaal vermaard. Pieck: figuratief, romantisch, nostalgisch, gebruikt voor Efteling en oude kinderboeken. Geen verwarring qua stijl, maar wel vaak verwisseld op naam omdat beide eenmaal-namen.
  • Van Eyck en Bosch. Beide vroeg-Vlaamse meesters. Jan van Eyck (ca. 1390-1441) is realistisch, religieus, technisch perfecte olieverf-pionier. Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516) is fantastisch, surrealistisch, religieus maar dan met monsters. Twee eeuwen verschil in stijl, ondanks beide in dezelfde Vlaamse traditie.

Tips om Nederlandse schilders beter te onthouden

  • Per eeuw één hoofdnaam: 15e Van Eyck, 16e Bosch en Bruegel, 17e Rembrandt en Vermeer, 19e Van Gogh, 20e Mondriaan en Escher. Daarbinnen kun je verdiepen.
  • De vier grote 17e-eeuwers: Rembrandt (Amsterdam, drama), Vermeer (Delft, stilte), Hals (Haarlem, portretten), Jan Steen (Leiden, humor). Daarnaast specialisten als Ruisdael (landschappen), Aelbert Cuyp (koeien), Pieter de Hooch (binnenkamers), Judith Leyster (vrouwelijke meester).
  • De vier hoofdmusea: Rijksmuseum (Amsterdam, alles van vóór 1900, plus moderne Nederlandse kunst), Van Gogh Museum (Amsterdam, alleen Van Gogh), Mauritshuis (Den Haag, top Gouden Eeuw incl. Vermeer en Rembrandt), Kröller-Müller (Otterlo, modern plus tweede grootste Van Gogh-collectie).
  • De grote getallen: Rembrandt ~600 schilderijen + 300 etsen + 1.400 tekeningen, Vermeer 35 werken, Van Gogh 2.100 werken in slechts 10 jaar, Mondriaan honderden composities. Tot vandaag zijn nieuwe Vermeers theoretisch nog mogelijk; in 2022 werd één wetenschappelijk geauthenticeerd ontdekt.
  • De drie 20e-eeuwse bewegingen: De Stijl (1917, Mondriaan en Van Doesburg, abstract, primaire kleuren), CoBrA (1948, Appel en Constant, expressief en figuratief), Escher (eenling, optische illusies en wiskundige patronen). Plus Rietveld als architect-designer van De Stijl-tijd.

Vaak gestelde vragen

Waarom waren Nederlanders zo goed in schilderen?

Combinatie van factoren. Ten eerste de economie: vanaf de 15e eeuw was Vlaanderen en later Holland economisch zeer welvarend. Welvaart maakt kunstvraag mogelijk. Ten tweede de markt: anders dan in Italië of Spanje, waar kunst vooral door kerk en koning werd besteld, kochten in de Lage Landen ook welgestelde burgers schilderijen voor in hun woonkamer. Dat creëerde een breed publiek en dus een groot aantal werkende schilders. Ten derde de gilden: de Sint-Lucasgilden in elke Nederlandse stad zorgden voor vaktechnische opleiding van hoge kwaliteit. Een leerling werkte 6-10 jaar bij een meester voor hij zelfstandig mocht werken. Ten vierde de tolerantie: Nederland was relatief politiek-religieus tolerant, waardoor experimenteren mogelijk was zonder vervolging. Ten vijfde geografie: het Nederlandse licht (vlakke landschap, water, wolken) gaf een onnavolgbare belichting die schilders inspireerde. Vermeer’s “Gezicht op Delft” zou nergens anders op de wereld dezelfde sfeer hebben gehad. En tot slot: succes baart succes. Een Hollandse schildersgeneratie wordt opgevoed door de vorige, jonge schilders willen niet onderdoen voor hun voorgangers. Vier eeuwen lang is dit Nederlandse vakkenmanschap onafgebroken doorgegeven.

Wat zijn de duurste Nederlandse schilderijen ooit verkocht?

De top wordt domineerd door Van Gogh. “Portrait of Dr. Gachet” (1890) werd in 1990 voor 82,5 miljoen dollar verkocht, op dat moment een wereldrecord. “Portrait of Joseph Roulin” (1888) ging in 1989 voor 58 miljoen weg. “Irissen” (1889) bracht in 1987 53,9 miljoen op. Recenter ging “Verger avec cyprès” (1888) in 2022 voor 117 miljoen weg, een nieuw record voor Van Gogh. Voor Rembrandt: “Standard Bearer” (1636) werd in 2022 door de Nederlandse staat aangekocht voor 175 miljoen euro (deel door Rijksmuseum gefinancierd, Rest door staat). Vermeer-schilderijen komen vrijwel nooit op de markt; de laatste Vermeer-verkoop was in 2004 (“A Young Woman Seated at the Virginals” voor 30 miljoen dollar). Levende Nederlandse schilder met hoogste prijzen is Marlene Dumas, met “The Visitor” (1995) voor 6,3 miljoen pond in 2008. Rembrandt blijft de duurste klassieke Nederlandse meester per individueel werk; Van Gogh leidt qua totaal-marktwaarde van zijn oeuvre.

Wat is er met De Nachtwacht gebeurd?

Veel. De Nachtwacht (eigenlijk “De Compagnie van Frans Banning Cocq”, 1642) is een van de meest gepasserde schilderijen ter wereld. Toen het in 1715 van de Kloveniersdoelen naar het Stadhuis op de Dam werd gehangen, werd het aan vier kanten kleiner gemaakt (afgesneden) om in een nieuwe nis te passen, met name aan de linkerkant verloor het meer dan een meter aan personen en architectuur. In 1808 verhuisde het naar het Rijksmuseum. Het werd drie keer aangevallen: 1911 (een schoenmaker met een mes, beperkte schade), 1975 (William de Rijk met een mes, grote schade die jaren restauratie kostte, glasplaat-bescherming sindsdien) en 1990 (zuur aanval door psychiatrische patiënt, schoon te maken). Sinds 2019 ondergaat het schilderij “Operatie Nachtwacht”, een uitgebreid wetenschappelijk onderzoek en restauratie in de hal van het Rijksmuseum waar bezoekers het werk in een speciale glazen kamer kunnen zien terwijl het wordt behandeld. AI-technologie heeft in 2021 zelfs gereconstrueerd hoe het 1642-origineel met alle afgesneden delen eruitzag, op basis van een 17e-eeuws kopie. Het schilderij is verzekerd voor onbekende waarde maar in elk geval honderden miljoenen euro.

Hoe wordt een Nederlandse schilder vandaag opgeleid?

Vier hoofdroutes. Ten eerste de academische: BSc/MA Beeldende Kunst aan een van de zes Nederlandse kunstacademies (Rietveld in Amsterdam, KABK in Den Haag, AKV St. Joost in Den Bosch/Breda, ArtEZ in Arnhem/Zwolle, Minerva in Groningen, en Willem de Kooning in Rotterdam). Vier jaar BSc, optioneel twee jaar MA. Strenge selectie, ongeveer 1 op 5 wordt toegelaten. Ten tweede de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam: postacademisch programma van twee jaar voor topkunstenaars uit binnen- en buitenland, met eigen atelier en mentor. Beschouwd als de prestigieuze top. Ten derde de autodidactische route, zonder formele opleiding maar via meester-leerling-verhoudingen en zelfstudie. Een groeiende groep, mede door internet. Ten vierde de “buitenlandstudie”: veel Nederlandse kunstenaars studeren in Berlijn, Londen, New York of Parijs. De Nederlandse schilderscultuur is sinds de jaren ’70 sterk geïnternationaliseerd; veel grote namen wonen tijdelijk of permanent in het buitenland. Het verschil met de Gouden Eeuw is groot: toen waren schilders vooral lokale ambachtslieden die in hun eigen stad bleven werken. Vandaag is een Nederlandse schilder in essentie een internationale kunstenaar die toevallig in Nederland werkt.

Welke Nederlandse schilders zijn vrouwen?

Tot de 20e eeuw weinig, niet door talent maar door uitsluiting van gilden. Judith Leyster (1609-1660) is de bekendste uitzondering uit de Gouden Eeuw: zij werd in 1633 als enige vrouw in haar generatie in het Haarlemse Sint-Lucasgilde opgenomen, na een proeve van bekwaamheid. Ze schilderde portretten en huiselijke taferelen op het niveau van Frans Hals (haar leermeester). Na haar huwelijk in 1636 met schilder Jan Miense Molenaer schilderde ze nauwelijks meer (kindjes, huishouden). Veel van haar werk werd na haar dood foutief aan Frans Hals toegeschreven; pas in 1893 werd haar oeuvre teruggegeven. Andere 17e-eeuwse Nederlandse vrouwelijke schilders: Maria van Oosterwijck (bloemen-stillevens), Rachel Ruysch (idem, in dienst van keizer), Clara Peeters (Vlaams, stillevens). In de 19e eeuw kwam Thérèse Schwartze (1851-1918) met portretten. In de 20e eeuw Charley Toorop (1891-1955, expressionistisch). Vandaag is een grote helft van de Nederlandse beeldend kunstenaars vrouw, met namen als Marlene Dumas (zuid-afrikaanse-nederlandse, internationaal), Rineke Dijkstra (fotograaf), Saskia Olde Wolbers (video). De gender-balans is in 2020 omgekeerd naar voorheen, al duurt het nog generaties voor museumcollecties dat reflecteren.

Andere geschiedenisquizzen die hierbij passen

Veel van deze schilders hoorden bij De Gouden Eeuw. Voor de tijd ervoor: De Tachtigjarige Oorlog. Voor de Hollandse handelseconomie die kunst betaalbaar maakte: De VOC. Voor de Franse tijd waarin het Rijksmuseum werd opgericht: De Bataafse en Franse tijd.

← Terug naar Nederlandse geschiedenis quizzen

← Terug naar Geschiedenis quizzen