Anglicismen en woorden uit andere talen

  • 40 vragen
  • ± 10 minuten
  • Gemiddeld
Nog geen stemmen
Beoordeel deze quiz:

Uit welke taal komt paraplu? Wat is herkomst van amok? Multiple choice met vier opties.

Klaar voor de quiz?

Vul je naam in en kies een niveau. Je tijd telt mee voor het leaderboard van deze maand.

Hoe werkt het?

  • Drie niveaus

    Op gemakkelijk 15 basisvragen die de meeste mensen kennen. Op gemiddeld 25 vragen met meer detail. Op moeilijk alle 40, inclusief de minder bekende feiten waar pubquiz-fans pas op uitkomen.

  • Vier opties per vraag

    Je ziet een vraag en kiest uit vier antwoorden (A, B, C of D). De drie afleiders zijn altijd plausibel: bestaande personen, datums of begrippen uit dezelfde periode, geen flauwe gokwerk-opties.

  • Twee hulplijnen

    Je krijgt per spel één tip (korte aanwijzing over het juiste antwoord) en één 50/50 (twee foute antwoorden vallen weg). Beide mag je maar één keer inzetten, dus bewaar ze voor een lastige vraag.

  • Snelheid telt mee

    Je tijd wordt gemeten. Bij een gelijke score staat de snelste hoger in het maand-leaderboard.

Welk niveau?

Leaderboard deze maand

Leaderboard laden…

Het meertalige Nederlands

Nederlands is een Germaanse taal, maar zit vol leenwoorden uit andere talen. Naar schatting komt 30-40% van de Nederlandse woordenschat uit niet-Germaanse bronnen. Frans heeft enorm bijgedragen via Bourgondische en Franse periode (paraplu, restaurant, café, plein, cadeau). Latijn via wetenschap en religie (museum, studie, kandidaat). Grieks via onderwijs (orkest, theater, democratie). Engels modern, vooral sinds 1900 en explosief vanaf 1980 (computer, manager, team, lift, baby, film). Arabisch via wetenschap en handel (algebra, koffie, jihad). Maleis via VOC en kolonialisme (amok, batik, klamboe, kampong). Perzisch via Engels of direct (pyjama, kiosk, bazar). Chinees via thee-handel. Voor wie etymologie wil onderzoeken: elk Nederlands woord heeft een verhaal.

De grote brontalen

Frans: vooral via Bourgondische tijd (14-15e eeuw) en Franse tijd (1795-1813). Voorbeelden: paraplu, restaurant, café, cadeau, plein, kantoor, plein, route, rendez-vous, champagne, parasol, sigaret. Frans was lang lingua franca van Europese elite. Latijn: via kerk en universiteit. Wetenschappelijke termen, juridische termen, religieuze termen. Voorbeelden: museum, studie, kandidaat, paus, pater. Grieks: via onderwijs en wetenschap. Voorbeelden: orkest, theater, politie, democratie, filosofie, school, mathematica. Engels: explosief vanaf 1900, vooral 1980+. Voorbeelden: computer, manager, team, lift, baby, film, sport, jeans, sandwich, butler. Arabisch: via wetenschap en handel. Voorbeelden: algebra, koffie, jihad, sofa, sirene, magazijn. Maleis: via VOC-tijd. Voorbeelden: amok, batik, klamboe, kampong. Duits: via grens, recent (klaar, kantine, ja-knikker, dat-zegt-meneer).

Anglicismen vandaag

Sinds 1980 is Engels de dominante brontaal voor nieuwe Nederlandse woorden. Computer-terminologie (laptop, app, server, software, hardware, download, upload, browser, link, online, offline, e-mail), zakelijke termen (manager, deal, target, meeting, marketing, branding, feedback), populaire cultuur (cool, fun, party, vibe, look, style), sport (training, coach, fitness, gym, workout), media (talkshow, podcast, blog, vlog, influencer, content). Sommige worden volledig vernederlandst (computer wordt computer in alle vormen), andere blijven Engels (meeting wordt soms vergadering, andere keer meeting). Discussies over “verloedering”: taalwetenschappers zien anglicismen als natuurlijke evolutie, andere zien het als verlies van Nederlandse identiteit. Onze Taal pleit voor “Nederlands eerst, Engels als alternatief”. Praktijk: anglicismen blijven groeien.

Worden anglicismen problematisch?

Een lopende discussie. Argument tegen: Engelse termen verdringen oorspronkelijke Nederlandse woorden, taal wordt geüniformiseerd, oud-Nederlands erfgoed verdwijnt. Argument voor: leenwoorden zijn altijd een onderdeel van taal-evolutie, Nederlanders zijn pragmatisch en gebruiken wat werkt, internationale terminologie is nuttig. Vergelijkbaar fenomeen in Frans (Franse Academie probeert anglicismen tegen te houden) en Duits (Duits-taalbescherming-bewegingen). In Nederland geen actieve overheidssturing tegen anglicismen. Onze Taal en Genootschap Onze Taal proberen Nederlandse alternatieven te suggereren (computer = rekenmachine? – mislukt; smartphone = slimme telefoon? – mislukt). Reality check: een paar Nederlandse alternatieven hebben het gehaald (kortingsbonnen voor coupons, mailadres voor email address), maar de meeste anglicismen blijven.

Tips om leenwoord-herkomst te leren

  • Etymologisch woordenboek raadplegen (van Dale, online via etymologiebank.nl).
  • Herken patronen: -tie (Frans), -isme (Grieks), -tion (Engels).
  • Veel wetenschappelijke termen uit Grieks of Latijn.
  • Recente technologie-termen uit Engels.
  • Indonesische/Maleise woorden vaak via VOC-tijd.

Vaak gestelde vragen

Hoeveel anglicismen kent Nederlands?

Een vraag zonder definitief antwoord. Strenge taalwetenschappers schatten 5.000-10.000 anglicismen in actief Nederlands gebruik. Voor wie alle technische, vakspecifieke en cultureel-specifieke woorden meetelt: 30.000+ (denk aan IT, marketing, sport, mode). Het Groene Boekje (officiële Nederlandse spellingwoordenlijst, 280.000 woorden) bevat meer dan 7.000 Engelse leenwoorden. Het percentage is sterk gegroeid: in 1900 misschien 1% van de actieve woordenschat was Engels; in 1970 ongeveer 5%; in 2024 schat men 10-15%. Voor specifieke vakgebieden zoals IT of marketing: 30-50% van de gebruikte termen is Engels. Voor algemeen taalgebruik blijft Nederlands dominant; voor specialistisch is Engels vaak overweldigend.

Welke woorden komen uit Maleis?

Veel, dankzij de VOC-tijd (1602-1799). Voorbeelden: amok (razend geweld), batik (textiel-techniek), klamboe (muggennet), kampong (Indonesisch dorp), kakkerlak (van Maleis “kakerlak”), bamboe, gong, kakatoo (papegaai), orang-oetan, sago, sambal (saus), satay (vleesspies), gladiool (oorspronkelijk Latijn), pinda (Maleis), salam (groet/sla-blad), tampong, traktatie. Daarnaast komen veel woorden via Maleis uit Sanskriet of Tamil: rapport, kroes. Het Maleis bezit van Indonesisch-Nederlands taalgebied was sterk in 19e-20e eeuw; vandaag minder gebruikt. Voor wie meer wil weten: het boek “Maleis Nederlandse Woorden” van Nicoline van der Sijs is uitgebreid en goed geschreven.

Welke woorden komen uit Jiddisch?

Een speciale categorie: Jiddisch (oost-Joods-Duits) leverde tientallen woorden aan Nederlands via Amsterdamse Joodse gemeenschap, vooral vóór WO2. Voorbeelden: bajes (gevangenis – van “bajis” = huis), bokkenrijder (oorspronkelijk bandiet), gozer (kerel), jat (hand), kapsones (drukte, opscheppen), kop (hoofd, in spreektaal), gappen (stelen), majem (water in argot), meschugge (gek), mokum (Amsterdam), porum (gezicht), tof (goed), saffie (sigaret). Veel zijn in het Amsterdamse straattaalgebruik blijven hangen, ook na de Holocaust die de Joodse gemeenschap decimeerde. Voor wie Jiddisch-Nederlands wil bestuderen: “Verschuivingen” door Henk Beem of de woordenboeken van H. Beem zijn goed startpunt. Het is een treurig levend monument van een verloren gemeenschap.

Andere quizzen die hierbij passen

Voor Latijnse en Bijbelse uitdrukkingen: Bijbelse en Latijnse uitdrukkingen. Voor moeilijke woorden: Moeilijke Nederlandse woorden.

← Terug naar Uitdrukkingen quizzen

← Terug naar Nederlandse taal quizzen