Werkwoorden vervoegen

  • 40 vragen
  • ± 10 minuten
  • Gemiddeld
Nog geen stemmen
Beoordeel deze quiz:

Hoe vervoeg je werkwoorden? Sterke vs zwakke? Voltooid deelwoord? Multiple choice met vier opties.

Klaar voor de quiz?

Vul je naam in en kies een niveau. Je tijd telt mee voor het leaderboard van deze maand.

Hoe werkt het?

  • Drie niveaus

    Op gemakkelijk 15 basisvragen die de meeste mensen kennen. Op gemiddeld 25 vragen met meer detail. Op moeilijk alle 40, inclusief de minder bekende feiten waar pubquiz-fans pas op uitkomen.

  • Vier opties per vraag

    Je ziet een vraag en kiest uit vier antwoorden (A, B, C of D). De drie afleiders zijn altijd plausibel: bestaande personen, datums of begrippen uit dezelfde periode, geen flauwe gokwerk-opties.

  • Twee hulplijnen

    Je krijgt per spel één tip (korte aanwijzing over het juiste antwoord) en één 50/50 (twee foute antwoorden vallen weg). Beide mag je maar één keer inzetten, dus bewaar ze voor een lastige vraag.

  • Snelheid telt mee

    Je tijd wordt gemeten. Bij een gelijke score staat de snelste hoger in het maand-leaderboard.

Welk niveau?

Leaderboard deze maand

Leaderboard laden…

Werkwoorden in het Nederlands

Werkwoorden zijn het hart van elke zin. Ze drukken handelingen, toestanden of gebeurtenissen uit. In het Nederlands hebben werkwoorden vele vormen die afhangen van persoon (ik, jij, hij), getal (enkelvoud, meervoud), tijd (tegenwoordige, verleden, toekomende, voltooide vorm), wijs (beduidende, gebiedende, voorwaardelijke) en vorm (bedrijvende vs lijdende). Werkwoorden worden in het Nederlands ingedeeld in zwakke (regelmatige) en sterke (onregelmatige) werkwoorden. Zwakke werkwoorden vormen verleden tijd met -de of -te-uitgang (werken-werkte-gewerkt, mailen-mailde-gemaild). Sterke werkwoorden veranderen van klinker (lopen-liep-gelopen, schrijven-schreef-geschreven). Daarnaast bestaan hulpwerkwoorden (hebben, zijn, zullen, kunnen, willen) en koppelwerkwoorden (zijn, worden, blijven).

Tijden en vormen

Het Nederlands kent 8 hoofdtijden. Tegenwoordige tijd (presens): ik werk. Verleden tijd (imperfectum): ik werkte. Voltooid tegenwoordige tijd (perfectum): ik heb gewerkt. Voltooid verleden tijd (plusquamperfectum): ik had gewerkt. Toekomende tijd (futurum): ik zal werken. Voltooid toekomende tijd: ik zal hebben gewerkt. Voorwaardelijke wijs (conditionalis): ik zou werken. Voltooid voorwaardelijk: ik zou hebben gewerkt. Plus drie wijzen: beduidende wijs (indicatief, gewone vorm), gebiedende wijs (imperatief, opdracht), aanvoegende wijs (subjunctief, wens). Plus twee vormen: bedrijvende (actief, “Jan slaat de bal”) en lijdende (passief, “De bal wordt geslagen door Jan”).

Zwakke en sterke werkwoorden

Het Nederlands heeft ongeveer 200 sterke werkwoorden (oudere, frequenter gebruikte werkwoorden) en duizenden zwakke werkwoorden. Sterke werkwoorden worden traditioneel ingedeeld in 7 klassen op basis van hun klinkerverandering. Klasse 1: ij-ee-e (schrijven-schreef-geschreven). Klasse 2: ie-oo-o (bieden-bood-geboden). Klasse 3: i-o-o (zingen-zong-gezongen). Klasse 4: e-a-o (breken-brak-gebroken). Klasse 5: e-a-e (eten-at-gegeten). Klasse 6: a-oe-a (dragen-droeg-gedragen). Klasse 7: aanvalsspecifiek (lopen-liep-gelopen, slapen-sliep-geslapen). Plus volledig onregelmatige werkwoorden (zijn-was-geweest, hebben-had-gehad, doen-deed-gedaan, gaan-ging-gegaan, staan-stond-gestaan). Zwakke werkwoorden volgen kofschip-regel voor -de/-te in voltooid deelwoord (zie d/t-regel quiz).

Hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden

Hulpwerkwoorden helpen andere werkwoorden vormen. Hebben en zijn voor voltooid tijden (ik heb gewerkt, ik ben gelopen). Zullen voor toekomende tijd (ik zal werken). Modale hulpwerkwoorden (kunnen, moeten, willen, mogen) drukken mogelijkheid, plicht, wens of toestemming uit. Koppelwerkwoorden verbinden onderwerp met naamwoordelijk gezegde: ik ben blij, hij wordt boos, het lijkt mooi. De zeven hoofd-koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, heten, dunken. Plus voorkomen (“hij voorkomt boos”) in specifieke betekenissen. Voor woord en uitleg goed kennis van hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden essentieel voor correcte zinsbouw.

Tips om werkwoorden te leren vervoegen

  • Leer de 200 sterke werkwoorden uit het hoofd (lijst in elk grammaticaboek).
  • Zwakke werkwoorden volgen ’t Kofschip-regel voor -de/-te.
  • “Ik” nooit met -t in tegenwoordige tijd.
  • “Hij/zij/het” altijd met -t in tegenwoordige tijd.
  • Beweging-werkwoorden met richting: voltooid tijd met “zijn” (ik ben gelopen naar huis).
  • De meeste andere werkwoorden: voltooid tijd met “hebben” (ik heb gewerkt).

Vaak gestelde vragen

Wat is het verschil tussen “ik heb gelopen” en “ik ben gelopen”?

Bij “lopen” zonder richting: “ik heb gelopen” (algemene activiteit). Bij “lopen” met bestemming of doel: “ik ben gelopen naar huis” (specifieke beweging met eindpunt). Bewegingswerkwoorden krijgen “zijn” als voltooid hulpwerkwoord wanneer ze een richtingsverandering uitdrukken. Voorbeelden: ik ben gegaan (richting), ik heb gefietst (activiteit zonder richting). Test: kun je een richtingsbepaling toevoegen zonder dat de zin vreemd wordt? Dan vaak “zijn”. Anders “hebben”. Andere zonbij “zijn”-werkwoorden zonder beweging: blijven, worden, vergaan, sterven. Het is een van de moeilijkere aspecten voor anderstaligen die Nederlands leren.

Wat is de gebiedende wijs?

De imperatief (gebiedende wijs) wordt gebruikt voor commando’s, verzoeken of adviezen. Voor “jij”-vorm: de stam van het werkwoord. “Werk!” “Loop!” “Kom hier!” Voor “u”-vorm of meervoud: stam + -t. “Werkt u even!” “Loopt u maar door!” Voor wederkerende werkwoorden: stam + “u/je”. “Was je!” “Was u zich!” In hedendaags Nederlands wordt de gebiedende wijs vaak vervangen door beleefdere vormen: “Kun je dit even doen?” of “Wil je dat doen?” De pure imperatief klinkt soms ongewoon hard. Maar in opdrachten en commando’s blijft hij essentieel.

Wat is de lijdende vorm?

De lijdende vorm (passief) keert de actie om: in de bedrijvende vorm doet het onderwerp iets (“Jan slaat de bal”), in de lijdende vorm ondergaat het onderwerp iets (“De bal wordt geslagen door Jan”). De lijdende vorm wordt gemaakt met “worden” (tegenwoordige/verleden tijd) of “zijn” (voltooid tijd) plus voltooid deelwoord van het hoofdwerkwoord. Voorbeelden: “Het huis wordt gebouwd”, “De brief werd verzonden”, “Het boek is gelezen”, “De maatregelen zullen worden ingevoerd”. De handelende persoon kan worden weggelaten (“De brief werd verzonden”) of toegevoegd met “door” (“door Jan”). Lijdende vorm wordt vooral gebruikt wanneer de handelende persoon onbelangrijk of onbekend is, of in formele/zakelijke taal. In gesproken Nederlands minder gebruikt.

Andere quizzen die hierbij passen

Voor d/t-regels: De d/t-regel. Voor zinsontleding: Zinsontleding en woordsoorten.

← Terug naar Grammatica quizzen

← Terug naar Nederlandse taal quizzen